Zoekveld

 
   
verenigingen wat doen we tijdschrijft de toorts wat is vrijzinnigheid lid worden links

 

 

Verenigingen

Body: 
 

 

Wie de uitbouw van het gestructureerde verenigingleven - met al zijn geledingen en/of strekkingen - in Vilvoorde wil vatten moet dit o.m. doen binnen de context van de ontwikkeling van het sociaal – cultureel werk in Vlaanderen.

Een historische terugblik

Het kortstondig samengaan, onder het Nederlands Bewind tussen 1815 en 1830, leidde, voor Vlaanderen, tot het kennismaken met de vereniging “tot Nut van ’t Algemeen”. Deze kernspreuk wordt echter vaak verward met de eigenlijke naam van de vereniging die in 1784 werd gesticht en
die in wezen het “Genootschap van Konsten en Wetenschap” heet. De initiatiefnemers wilden, onder meer via de organisatie van algemeen onderwijs, bijdragen tot democratisch burgerschap en een algemene christelijke levensstijl. De beweging kende een groot succes. Afdelingen kwamen in vele steden tot stand. De bekendste afdeling was wellicht deze in den Haag waar men nu nog het Nutshuis kan bezoeken.

Gedurende korte tijd kende men ook in Vlaanderen zogeheten “Nutsdepartementen”. In 1830 zouden deze snel verdwijnen. Het overwegend Franstalige karakter van de heersende elite en het verzet van de clerus tegen “volksontwikkeling” waren daar niet vreemd aan. De verfransing van het gehele maatschappelijke leven in België zal echter niet beletten dat een Nederlandstalig cultureel leven in Vlaanderen tot stand komt. In de aanvangsperiode zullen het de fanfares, de toneelverenigingen, de zangverenigingen, de koren … zijn die dit culturele emancipatorische gebeuren gestalte zullen geven.

De Fondsen

De eerste vereniging die wordt opgericht is het Willemsfonds, zo geheten naar Jan Frans Willems (1793-1846), een orangist en ook wel eens de vader van de Vlaamse Beweging geheten. De vereniging dateert van 1851 en zij profileert zich vanaf 1862, mede onder impuls van de
J. Vuylsteke, als Vlaams, vrijzinnig, strijdend antikatholiek.

Korte tijd later wordt o.a. door katholiek – conservatieve Willemsfondsers het Davidsfonds (1875, geheten naar kanunnik Davids) opgericht. De eerste schoolstrijd” (1878 – 1884) zal zeker niet van aard zijn om de gemoederen te bedaren.

Terecht wijzen enkele auteurs er op dat men naast de ideologische tegenstellingen, wil men de ontwikkelingen op dat vlak eind 19de eeuw vatten, ook rekening moet houden met de economische situatie. De strijd tegen de armoede, de actie voor participatie, voor respect, mobiliseert brede lagen van de bevolking. Talrijke initiatieven zien, zeker vanaf 1876 met de oprichting van de Belgische Werkliedenpartij, het licht. Volksbibliotheken en onderwijs voor “sociale promotie” bloeien.

Begin 20ste eeuw (1911) wordt de (socialistische) Centrale voor Arbeidersopvoeding opgericht.

Na 1918

Na 14-18, in het kielzog van de beweging die mede op gang werd getrokken door de invoering van het enkelvoudige stemrecht (1919) voor mannen, de invoering van de 48-uren werkweek ende achturendag, zullen vele organisaties opgericht worden. Jongerenverenigingen,
vrouwenorganisaties, organisaties voor sociaal toerisme, organisaties actief op de markt van de vrijetijdsbesteding, arbeidershogescholen … ontstaan. Onrechtstreeks speelt ook de idee mee dat men de vrijgekomen tijd nuttig (gecontroleerd?) diende op te vullen. Het interbellum is echter ook een gemobiliseerde periode. De ideologische profileringsdrang in het verenigingsleven sluit aan bij het brede maatschappelijke gebeuren. De gevolgen zijn bekend.

Na 1945

Na 1945 gaat de uitbouw van dit verenigingsleven verder. In 1945 wordt het (initieel pluralistische, nadien duidelijk socialistisch georiënteerde) Vermeylenfonds opgestart. Boerenbond, gepensioneerdenorganisaties … ontstaan. De naweeën van de vooroorlogse politieke agitatie en de tegenstellingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog culmineerden, zijn een feit en deze zullen het sociaal – culturele landschap nog
lange tijd “kleuren”. De verzuiling krijgt langzamerhand vorm. De door de overheid betoelaagde vrijheid wordt een feit.

In 1951 wordt het Humanistisch verbond opgericht (de Oudervereniging Voor de Moraal komt er in 1967).

De tweede schoolstrijd, die in 1958 beëindigd wordt door het Schoolpact, hitst de gemoederen andermaal op. Dit is slechts één van de breuklijnen. De belabberde economische toestand en de sluimerende revindicaties van de Vlaamse beweging brengen nieuwe spelers aan. Zo werd in 1954 werd, onder de naam Christelijke Vlaamse Volksunie, de Volksunie (VU) opgericht.

Over een KB 67 en het klavertje 4 (of is het 5)

De uitbreiding van de organisaties gaat ondertussen onverminderd door, al ligt het accent nu ook op pluralistische initiatieven (voorbeeld is de Stichting Lodewijk De Raedt), op eerste aanzetten tot “groepering” (dit zal resulteren in de “koepels”) en op pogingen om het geheel - van bovenaf
- te structureren.

Het overkoepelende KB 67 zorgt ondertussen voor de betoelaging van de talrijke organisaties. Er kan rustig van een wildgroei worden gesproken. Er is ook goed nieuws: de sector professionaliseert. Onderwijsinstellingen leveren immers meer en meer professionele krachten.
De grondwetshervorming in 1971 zal echter ook in Vlaanderen andermaal zorgen voor een balkanisering. In het katholieke Vlaanderen is er bij de niet – gelovigen de terechte vrees om in de “verdomhoek” gedrumd te worden. De ontzuiling verloopt er immers niet aan het zelfde tempo
als in Nederland.

Het compromis zal uiteindelijk worden gevonden in het Cultuurpact en in de Cultuurpactwet. Op 14 februari 1972 zullen de klassieke politieke partijen het Cultuurpact afsluiten. Kern van dit akkoord is de diverse ideologische en filosofische strekkingen betrokken moeten worden bij het
cultuurbeleid. De Cultuurpactwet bepaalt dat de overheden dienen te kiezen tussen drie formules voor het beheer van culturele infrastructuren en dito instellingen.

Door het grote aantal organisaties actief op de markt van het sociaal culturele werk zal vrij vlug de nood tot een herdefiniëren ontstaan. Het KB 67 wordt langzamerhand vervangen door het zogeheten “klavertje 4” (met een 5de Decreet er bovenop).

De decreten voor verenigingen (in 1975), voor instellingen (1978), amateurkunsten (1980), politieke vormingsinstellingen (1985) en het “vijfde decreet” (1985) zullen het landschap volledig herverkavelen.

Nog later worden drie invalshoeken vooropgesteld: de verenigingen, de instellingen en de diensten. Mits het voldoen aan een aantal normen en afspraken zal het aantal erkende en betoelaagde organisaties verder groeien. Bepaalde organisaties zullen echter blijven “vasthangen” aan het KB 67.

De koepels

Ondertussen groeperen gelijkgezinden zich en worden de koepelorganisaties opgestart. (met een decreet voor de koepels in 1976). In 1971 ontstaat het Centrum voor Sociaal Cultureel Werk (katholiek), de (pluralistische) Bond Voor Vormings- en ontwikkelingsorganisaties (BVVO)
ontstaat eveneens in 1971, het (liberale) Coördinatiecentrum voor Liberaal Socio-Cultureel Beleid (CLSB) komt er in 1972 en het (katholieke) Centrum voor Arbeidersvorming in 1974. Begin de jaren tachtig ontstaat de Vlaamse Culturele Koepel (VCK) en in 1983 de Vrijzinnige
Koepel. Deze koepels zullen die het sociaal-culturele landschap verkavelen. Het aantal organisaties dat leeft dank zij het KB 67 blijft echter vrij groot.

De koepels zullen elkaar in 1985 vinden in een overlegorgaan “het Vlaams Centrum voor Volksontwikkeling” (nu Socius).

De Wet 1921, het Decreet 1978 op het openbaar bibliotheekwerk en de lectuurbegeleiding

Een belangrijke mijlpaal was ook de goedkeuring van het zogenaamde “Bibliotheekdecreet” in 1978. Een verdienste van Rika De Backer die daarmede ook inging tegen haar eigen partij voor wie dit “interne pluralisme” een draak was. Professionalisering, kwaliteit en toegankelijkheid tot het openbaar bibliotheekwerk waren de leidraad. Het tot dan toe in gebruik zijnde koninklijk besluit uit 1921 kwam terecht in een uitdoofscenario.

Het decreet zal later meermaals - met alle gevolgen van dien - “deregulerend” bewerkt worden. In het kielzog van dit decreet herstructureren ook de bestaande lectuurbegeleidingsorganisaties zich. Zo wordt in 1981 als vzw, het Humanistisch Vrijzinnig Centrum voor Lectuurbegeleiding”
(HVCL) opgericht. De basis hiervan werd gelegd in Vilvoorde. Robert Moucheron en Alain Vannieuwenburg zijn hierbij de drijvende krachten. Naast het tijdschrift “De Vrijzinnige Lezer” werd ook regelmatig een cursus tot het behalen van de “Akte van Bekwaamheid tot het houden
van een Openbare Bibliotheek” ingericht. In 1996 zal het HVCL opgaan in de "Humanistisch Vrijzinnige Dienst".

Nieuwe wegen

Deze bestaande afspraken staan sterk onder druk. Men wil de “ontzuiling” (de koepels werden ondertussen afgeschaft) verder zetten. De breuklijn tussen gelovigen – vrijzinnigen wordt door sommigen (in deze nochtans multireligieuze samenleving) niet langer relevant geheten.
Er gaan eveneens stemmen op om het cultuurpact grondig te herzien. Hoewel het pact en de wet duidelijk “kinderen van een tijd” zijn, is echter niet steeds even duidelijk, hoe de pluriformiteit wordt gegarandeerd.

Anderzijds is het ook zo dat, los van voormelde bepalingen, de participatie- en inspraakgedachte geleid heeft tot een wildgroei aan allerhande, parallel aan de politiek verkozen, niet steeds even verantwoordingsplichtige beslissingsorganen, al eens “lokale quangos” geheten.
Volledigheidhalve moet er op worden gewezen dat opeenvolgende beleidsverantwoordelijken de sector, met wisselend succes en met al dan niet verborgen agenda’s, herhaaldelijk “bijstuurden”. En ook andere sectoren (musea, podiumkunsten, dans- en muziektheater…) kregen hun
decreten.

Belangrijk is ook de vaststelling dat bepaalde initiatieven (bijvoorbeeld de basiseducatie) die in de sector van het sociaal – cultureel tot stand kwamen, uitzwermden en onderdak vonden in andere sectoren.

Ontzuiling

Kan men echt spreken van een ontzuiling. Zoals eerder verduidelijkt ziet men vanaf het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw een steeds groeiende opdeling van de Belgische
samenleving.

Vooral de katholieke familie wist op secure wijze de samenleving volgens het subsidiariteitsprincipe te organiseren. Onderwijs, verpleging, ziekenzorg, sociaal werk, welzijnwerk werden doorgeschoven naar allerhande organisaties, die voor hun werkzaamheden royaal overheidssteun konden binnenhalen. De controle hierop is nog steeds voor verbetering vatbaar.

Deze verzuilde “middenveldorganisaties” zullen in alle geledingen van de samenleving opduiken. België werd aldus “opgesplitst” in katholieke, socialistische of liberale subculturen. De macht en invloed van deze zuilen was zeer groot. Moeiteloos slaagde men erin om, bijvoorbeeld in aanvang “pluralistische” initiatieven, te integreren binnen de bestaande structuren.

Sommige sociologen zijn van oordeel dat Vlaanderen in sterke mate ontzuild is. Is het zo dat in Vlaanderen deze klassieke subculturen minder zichtbaar zijn geworden? Verzuilde geprofessionaliseerde netwerken blijven een feit. De jarenlange gevolgen van een overheidsbeleid
gekenmerkt door vermenging tussen de beleidspartijen en de ermede samenhangende zuilen zijn duidelijk.

Men opende dan wel (soms om pragmatische, soms om opportunistische redenen) de deuren voor “andersdenkende”, er werd “overschrijdend” gewerkt en het “grote verhaal” werd wat afgezwakt maar in wezen is nog steeds sprake van zuilen (of “neo-zuilen”). En men past zich aan.
In het katholieke kamp werd trouwens al snel werk gemaakt van wat Dobbelaere een “socioculturele christenheid” is gaan heten.

Een kleine verkenning op stedelijk vlak levert al vlug een rits aan (voor betoelaging in aanmerking komende) organisaties op die (al dan niet even expliciet) aanleunen bij de een of de andere ideologische, communautaristische of filosofische strekking. Er bestaan nog steeds netwerken
van organisaties die op formele en informele wijze met elkaar communiceren en voeling hebben met politiek verantwoordelijken.

Of de volgende decennia een ander beeld zullen opleveren is niet duidelijk. De verdere communautarisering van onze samenleving mede door de instroom van nieuwkomers is duidelijk zichtbaar. Langzaam aan is er een verschuiving naar dat wat Etzioni een “community of communities” heeft geheten.

Cultuurparticipatie

Toch lijkt een zekere saturatie merkbaar. De cultuurparticipatie amplifiëren lijkt moeilijk te verlopen. Opvallend is ook dat de deelname aan het vrijwilligerswerk afkalft. Vrijwilligers en organisaties vinden elkaar steeds moeilijker.

Vrijetijdsinitiatieven en (zogezegd) gratis activiteiten lijken het roer over te nemen maar zorgen niet voor een echter doorbraak. Er is een stagnatie en de omnivoriteit neemt toe. We worden overspoeld door initiatieven. In de maanden juli en augustus kan men moeiteloos van het ene
“festival” naar het andere “festival” laveren. Cultuur is een consumptiegoed geworden. De oorspronkelijke idealen zijn ver te zoeken.

En ondanks het zo goed als gratis verhaal, ondanks allerhande uitbreidingsactiviteiten, drempelverlagende activiteiten en internetcorners lijkt ook het bibliotheekbezoek te stagneren. Bart van Herten stelt dan ook terecht de vraag of er geen saturatie merkbaar is.

Zo geeft een onderzoek “Cultuurparticipatie in Vlaanderen 2003-2004” aan dat het leesgedrag nog steeds ondermaats blijft. Meer dan de helft van de respondenten verklaarde in het afgelopen halfjaar geen enkel boek te hebben gelezen. Net geen 70% was in dezelfde periode in de buurt
van een bibliotheek gekomen. Vele respondenten stelden dat ze gewoonweg geen tijd hebben of erkennen dat lezen hen niet kan interesseren. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat 33 % Vlamingen niet deelneemt aan cultuur. Daarnaast is er de beperkte groep vrij actieve cultuuromnivoren.
Uit een recent uitgevoerd onderzoek blijkt andermaal hoe belangrijk het ouderlijke milieu, het opleidings- en scholingsniveau of het sociale effect van de vriendengroep zijn. Het opleidingsniveau is ook bepalend voor de deelname aan het verenigingsleven, voor bioscoop- en
bibliotheekbezoek. Hoe de participatie omhoog krikken, blijft de onderzoekers een uitdaging waard. Pasklare antwoorden zijn er niet. Het mattheus – effect blijft onverkort gelden.

Cultuur is, zo blijkt uit een statische survey, een echte industrie en banenschepper6 geworden. De transfers op het niveau van steden en gemeenten, provincies en Vlaamse gemeenschap zijn indrukwekkend te heten. Uit een cijferreeks blijkt dat deze sector geeft 89.000 mensen werk geeft. Initiatieven zat. Voor elk (al dan niet vermeend probleem) dient zich een initiatief aan. In een eerdere studie uitgevoerd door de Sociaal Economische Raad Vlaanderen bleek overduidelijk dat de investeringen in de sociaal – culturele sector niet te onderschatten economische effecten hebben. De sector “cultuur” is voor een politicus een “lucratief” werkterrein.

Inspraak- advies en babbelboxorganen

Ondertussen is Vlaanderen talrijke inspraak- en adviesorganen rijk. Op het niveau van steden- en gemeenten, provincies alsook op gewest- en gemeenschapsvlak gemeente functioneren aldus honderden dergelijke organen.

Volgens De Wakkere Burger gaat het in de 308 gemeenten over 3.000 tot 4.000 advies- en overlegorganen met tienduizenden leden. Men heeft zowat voor alles een “advies- en / of inspraakorgaan”. Soms ontrekt men op deze wijze bepaalde beslissingsmomenten aan de verkozen organen.

De evaluatie van de werking van deze organen levert een zeer wisselend beeld op dat oscilleert over van “schaamdoekconstructies” tot “kwaliteitsvolle op het beleid wegende organen”. Breedte- en diepterelaties wisselen en er is een sterk gevarieerde vergadercultuur te merken.

Kinderen van hun tijd

De uitbouw en positionering van het sociaal cultureel - werk in Vilvoorde is kind van deze ontwikkelingen. Niet zelden werden bestaande organisaties – zoals gebruikelijk in de gehele sector - geherdefinieerd met het oog op het in aanmerking kunnen komen voor erkenning en
overeenkomstige betoelaging. Men herkent ook op het lokale vlak de ontwikkelingen en de verschuivingen in de aandachtspunten die deze sector hebben gekenmerkt. Zo ontstond - niet toevallig - het HVV ( Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging vzw), de landelijke
sociaal-culturele, vrijzinnig-humanistische vereniging voor volwassenenwerk - uit een vergroeien van afdelingen van het Humanistisch Verbond en van afdelingen de Oudervereniging voor de Moraal.

De afschaffing van de cultuurkoepels zorgde er dan bijvoorbeeld weer voor dat het Willemsfonds, het Vermeylenfonds, het Humanistisch Vrijzinnig Vormingswerk, de Humanistisch Vrijzinnige Dienst en de Uitstraling Permanente Vorming VUB samengingen in het Vrijzinnig Cultuurforum.

Het decreet lokaal cultuurbeleid, dat de rol van de lokale overheden benadrukt, zorgde er dan weer voor dat diverse actoren uitgedaagd werden tot meer samenwerking. Zo werden bibliotheken en cultuurcentra partners binnen het lokale cultuurbeleid.

De sociaal – culturele sector eigent zich het “managementjargon” toe. Het zoekt nieuwe afzetmarkten. Doelgericht werken, doelgroepsgericht werken … de accenten wijzigen. Men moet zich legitimeren. En calimero is nooit veraf.

Of het vrije, kritische, emancipatorische denken er baat bij heeft is niet steeds even duidelijk.

Alain Vannieuwenburg